Over normatieve wetenschap

De papieren maatschappij

Roel Smeets, 14 april 2016


Hoe je het ook wendt of keert, het is moeilijk te verdedigen dat de doelstellingen van De Personagebank geen normatieve of zelfs politieke component bevatten. Alleen al het woord ‘diversiteit’ roept associaties op met een scala aan verhitte maatschappelijke discussies. Mag wetenschappelijk onderzoek normatief zijn?


Of het nou om de samenstelling van krantenredacties gaat, het profiel van gasten aan talkshowtafels, nationale tradities of winnaars van literaire prijzen; een onderwerp als diversiteit is in debatten haast een garantie voor normatieve stellinginnames. Hoewel gegevens over de samenstelling van het demografische landschap van de literatuur op zichzelf apolitiek zijn, zijn ze een vruchtbare voedingsbodem voor ideologiekritische interpretaties en normatieve stellingen.

Onze resultaten zouden met name normatief ingezet kunnen worden als blijkt dat de hedendaagse, Nederlandse literatuur van een overwegend homogene en niet-diverse aard is. Onze eerste onderzoeksresultaten laten inderdaad zo’n beeld zien. Graag wil ik hier de aandacht vestigen op een denkbeeldige situatie: wat als de Nederlandstalige literatuur anno 2015 een opvallend diverse samenstelling van personages zou hebben?

In die hypothetische situatie kunnen we spreken van een hypercorrecte literatuur, in analogie met het idee van een hypercorrecte samenleving. In het meest extreme geval gaat het hier om een literatuur waarvan de samenstelling van personages volledig divers en op alle punten gelijkwaardig is: vrouwelijke personages bekleden evenveel ‘hoogwaardige’ beroepen als mannen, niet-Westerse personages zijn even vaak (vertellend) hoofdpersonage als Westerse personages, en alle personages zouden gelijk verdeeld zijn over de sociale klassen. Voor sommige participanten in maatschappelijke debatten over diversiteit is een dergelijke situatie een doembeeld, en iets wat te allen tijde voorkomen zou moeten worden. Voorstanders van het behoud van Zwarte Piet beroepen zich bijvoorbeeld nogal eens op het vermeende gevaar hiervan.

Hoe zou de verhouding tussen descriptiviteit en normativiteit er in dat geval voor ons project uitzien? Ik stel me voor dat de ideologiecritici en politieke cultuuractivisten grotendeels zouden stilvallen. Als de literatuur volledig in balans is, dan valt er misschien maar weinig te bekritiseren. Maar is die denkbeeldige situatie nu wel of niet nastrevenswaardig? Moeten auteurs streven naar een diverse samenstelling van hun romanwerelden? Moeten lezers en critici hen daar toe aanmoedigen?

Laten we voor het gemak eens ‘ja’ antwoorden. Net zoals werkgevers in sollicitatieprocedures soms aan positieve discriminatie doen of zouden moeten doen, zo zou de literatuur ook diversiteitsquota moeten hanteren. Om gendergelijkheid in topfuncties aan te moedigen, stelde activistisch verbond Woman Capital in 2009 het zogenaamde Quota Manifest op. Daarin is de volgende zin opgenomen: ‘De samenleving als geheel zal door deze broodnodige stimulering van de vrouwen-participatie sterker, rechtvaardiger en evenwichtiger worden.’ Misschien zal de Nederlandse literatuur door opstelling van dergelijke quota – bijvoorbeeld: de man/vrouw verhouding in iedere roman moet 50/50 zijn, of: voor elk blank personage moet er een niet-blank personage in de romanwereld rondlopen – ook wel ‘rechtvaardiger en evenwichtiger’ worden.

Hier moeten we een pas op de plaats maken. Hoewel er in ons onderzoek een ‘volkstelling’ van personages in de Nederlandse literatuur plaatsvindt gaat het natuurlijk om een spreekwoordelijke volkstelling. Personages zijn geen mensen van vlees en bloed. Fictie is geen werkelijkheid. Diversiteitsquota zouden voor de creatieve impulsen van deze literatuurdemagogen hoogstwaarschijnlijk verlammend werken. Bovendien is het zeer de vraag of de literatuur een ideale, geëmancipeerde maatschappij zou moeten reflecteren.

Maar de romanwereld is óók een samenleving, zij het op papier – we zouden het een 'papieren maatschappij' kunnen noemen. Hoe die samenleving vorm krijgt is afhankelijk van de keuzes van de schrijvers, de menners van het papieren volk, en de literaire instituties, zeg maar het ambtenarenapparaat. En als schrijvers of uitgevers vaak dezelfde keuzes maken, dan moeten we ons afvragen wat die keuzes betekenen, en wat ervan de oorzaak is. Waar eindigt de creativiteit en vrijheid van de schrijver en waar begint de literaire conventie? Dat is een van onze hoofdvragen, hoe normatief misschien ook.

Tot de doelstellingen van De Personagebank behoort niet het opstellen van diversiteitsquota voor romanciers, uitgevers of jury’s van literaire prijzen. Wel stelt het project zich ten doel de keuzes van de schrijvers in kaart te brengen. Wie zijn de inwoners van de papieren maatschappij eigenlijk? Hoe meer we te weten komen over die wereld die alleen op papier bestaat, hoe preciezer we kunnen vaststellen in hoeverre die wereld verschilt van of overeenkomt met de onze. Mochten de uiteindelijke resultaten voor buitensporig veel ophef zorgen, dan kunnen we altijd nog overwegen om een Maxim Februari of een Karin Amatmoekrim in samenspraak met Mark Rutte de ‘richtlijnen aangaande diversiteit in het literaire veld’ te laten opstellen. Laat de cultuurpolitie maar uitrukken.