Over het nut van de Personagebank

Gekleurde personages en kleurloze literatuur

Lucas van der Deijl en Roel Smeets, 5 maart 2016


Waarom zou je romans reduceren tot de sociale achtergrond van de karakters? Wat maakt het uit of personages zwart, wit, mannelijk of vrouwelijk zijn? We leggen onze beweegredenen uit.


Op het Londense Picadilly staat een gigantische boekhandel. De Waterstones-vestiging is een soort boeken-V&D van vijf etages hoog, maar dan nog lang niet failliet. We waren op zoek naar een bestseller van een Afro-Amerikaanse auteur, en verwachtten niet lang te hoeven zoeken in het enorme aanbod van deze boekentempel. Maar wat we ook aantroffen – stapels van de nieuwe Jonathan Franzen, Harper Lee, Jamie Oliver – ons boek zat er niet bij. Wel stond op drie hoog achter een kast met het label ‘black fiction’. Hoopvol begonnen we linksboven bij de ‘A’.

Eenmaal weer beneden (zonder boek) kwam pas het besef wat die kast met black fiction zegt over de literatuur. Als die alleen maar ‘black fiction’ bevat, wat staat er dan op de planken in de talloze kasten met het neutrale label ‘Fiction A – Z’? Vind je daar allen maar ‘witte’ fictie, of zijn er nog meer smaken? En zijn dat verhalen geschreven door een witte auteur, of over witte personages? Waarom noemen ze dat bij Waterstones geen ‘white fiction’? Auteurs en personages zijn blijkbaar in principe wit, tenzij anders vermeld. De huidskleur van de schrijver of het personage is pas belangrijk wanneer die afwijkt van de dominante kleur uit het spectrum.


Literaire kwaliteit

Als witte, mannelijke neerlandistiekstudenten aan een nogal witte faculteit vonden wij het lange tijd niet zo zinvol om de literatuur te organiseren in verschillende ‘kasten’. Wat heb je aan onderscheiden op basis van auteursidentiteit in een land dat zijn belangrijkste literaire prijzen toekent aan schrijvers als Astrid Roemer en Abdelkader Benali? Gelijke monikken gelijke kappen: black fiction staat in de Waterstones óók gewoon bij de ‘M’ van Morrison of de ‘B’ van Baldwin. En toch: een blik op de eigen boekenkast leerde dat zogenaamde kwaliteit alleen niet de enige factor kan zijn geweest die onze voorkeuren bepaald had. We werden gedwongen tot zelfonderzoek: hoe selecteerden wij zelf eigenlijk?

Ook in de academische literatuurgeschiedenis stonden tussen droom en daad nog wel eens wetten in de weg. Er was (post)koloniale literatuur, ‘Indische letteren’, maar de auteurs uit die kast waren vaak alles behalve Indisch: F. Springer, E. du Perron, Hella Haasse en natuurlijk Multatuli en Louis Couperus. En we hadden de term ‘migrantenliteratuur’ of zelfs ‘allochtone schrijvers’, maar bij dat label voelden zowel literatuurhistorici als de bedoelde auteurs zich ongemakkelijk. Literatuurhistoricus Hugo Brems stelde al vast dat de eerste publicaties van dergelijk werk in de jaren negentig (Stitou, Bouazza, Abdollah) niet zozeer op zijn literaire merites maar zijn sociaalpolitieke waarde beoordeeld werd. Het werd ‘ethisch gelezen’, zoals de letterkunde dat met een gekke term aanduidt. In een literatuurgeschiedenis, toch vooral een verhaal over esthetische ontwikkelingen, detoneert zo’n hoofdstuk apart.

Daarnaast zijn de selectieve toekenning van kwaliteit en het gebrek aan diversiteit op het literaire veld al jaren inzet van een lange discussie (zie ook onze knipselmap).De klachten zijn inmiddels genoegzaam bekend. We vinden dat er geen verschil mag zijn tussen vrouwelijke en mannelijke schrijvers, maar gunnen de laatste groep veel meer recensies in de kranten, literaire prijzen en erebaantjes. Socioloog Pauwke Berkers toonde aan dat het Nederlandse literaire domein een zekere begrenzing kent voor auteurs met een andere achtergrond. Hun relatieve afwezigheid werd dan ook empirisch gestaafd door socioloog Thomas Franssen en criticus Daan Stoffelsen. Ze constateerden dat niet-witte schrijvers niet vaak in de prijzen vallen en nauwelijks geboekt worden op literaire evenementen. Ook redacteuren van uitgeverijen zijn overwegend wit, net als de toonaangevende critici. Die laatste groep is bovendien overwegend mannelijk en van middelbare leeftijd, zoals Philip Huff in een opiniestuk in de Volkskrant beargumenteerde. Er lijkt dus niet alleen een voorkeur te zijn voor witte, mannelijke auteurs, maar ook voor een zekere eenvormigheid in de kritische schil rondom hen. In die werkelijkheid is het niet vreemd dat ‘zwarte fictie’ of migrantenliteratuur ook in Nederland een hoofdstuk apart blijft. Wellicht kunnen Athenaeum in Amsterdam en de Drvkkerij in Middelburg er ook een eigen kast voor reserveren.


Identificerend lezen

Zadie Smith beschrijft in haar essay ‘Their Eyes Were Watching God: What Does Soulful Mean?’ de norm van ‘kleurenblindheid’ en ‘universaliteit’ onder critici: zij schrijven niet over zwarte auteurs of zwarte personages, maar over mensen. Ze beoordelen boeken niet op hun kleur, maar op hun esthetische kwaliteit. Naar aanleiding van haar leeservaring van Their Eyes Were Watching God van Zora Neale Hurston distantieert Smith zich van dit uitgangspunt. Ze erkent de rol die een identificerende leeswijze speelde bij haar oordeel van Hurstons roman, een leeswijze waarvan ze vermoedt dat die voor witte lezers minder vanzelfsprekend is:

‘These forms of identification are so natural to white readers – (Of course Rabbit Angstrom is like me! Of course Madame Bovary is like me!) – that they believe themselves above personal identification, or at least believe that they are identifying only at the highest, existential levels.’

Smith beschouwde zichzelf ook als een lezer die kleurenblind is, totdat ze de intieme vorm van identificatie en gelijkenis ervoer met de (zwarte) personages uit Hurstons roman. De spiegelfunctie van deze personages was voor haar zo uniek, dat het kunstmatig zou zijn om die persoonlijke leeservaring te negeren bij haar oordeelsvorming.

Als witte literatuurstudenten hadden wij onszelf aangeleerd dat een dergelijke identificerende leeswijze irrelevant is, of zelfs een beetje dommig. Wanneer een gespreksleider van een leesclub vroeg met welk personage de aanwezigen zich het meeste identificeerden, hield je wijselijk je mond. Hopende ooit het soort criticus te worden dat Smith beschrijft, streefden we naar een louter a-persoonlijke en esthetische leeswijze. Maar behalve voorwaardelijk is die leeswijze misschien ook wat gemakzuchtig voor lezers die bij de meeste boeken die ze openslaan, een wereld betreden die niet zoveel afwijkt van de hunne. Wij hebben als witte Nederlanders het voorrecht ons niet bewust te zijn van huidskleur, en kunnen onszelf wijsmaken dat kleur geen betekenis heeft. In de literatuur betekent het dat ons niet opvalt hoe monochroom die is. Volkskrant-columnist Harriët Duurvoort stelde: ‘wie kleurenblind is, ziet niet dat iedereen om zich heen wit is’.

In De Groene Amsterdammer schreef Karin Amatmoekrim over de ‘ondraaglijke witheid van de Nederlandse letteren’, naar aanleiding van bijdragen van Ebissé Rouw en Jan Kuitenbrouwer in NRC Handelsblad. Haar pleidooi is niet alleen een diagnose (‘zwarte’ stemmen worden te weinig gehoord in het Nederlandse literaire domein), maar ook een aanklacht tegen een kortzichtige manier van lezen die de vraag naar uitsluitend ‘witte’ literatuur in stand houdt:

‘Het is gemakzuchtig om niet verder te willen kijken dan dat wat je al kent (en wat je, in steeds een ander boek, al eerder hebt gelezen). Je doet ermee je eigen literatuur en je eigen wereldbeeld te kort.’

Wat betekent de veronderstelde witheid van de Nederlandse letteren voor lezers zoals Smith? Als we aannemen dat de identificerende leeswijze die Smith beschrijft een rol speelt voor alle lezers, dan wordt van lezers met een niet-witte of vrouwelijke identiteit vermoedelijk een groter inlevingsvermogen verwacht. Zij zullen immers vaker personages tegenkomen die op het gebied van afkomst en gender althans verder van hun eigen belevingswereld staan.

Maar het probleem voert dieper. Representatie is namelijk nooit neutraal; er spreekt een bepaalde macht uit. Maaike Meijer definieerde 'representatie' als een voorstelling of weergave van de werkelijkheid die bemiddeld wordt door menselijke keuzes, en die het gerepresenteerde tijdelijk 'vervangt', 'vertegenwoordigt' (denk aan de politieke betekenis van 'vertegenwoordiging'). De bemiddeling of 'blik' oefent een symbolische macht uit, 'symbolisch' omdat de betekenis van die macht ons iets zegt over grotere machtsverhoudingen. Dominante of stereotypische voorstellingen in literatuur onthullen daarom ongelijke machtsverdelingen in literatuur, en misschien ook in de samenleving eromheen. En hebben wij als lezers, zoals Amatmoekrim suggereert, een verantwoordelijkheid om 'verder te kijken' dan de dominante blik?


Personages tellen

Levert de eenvormigheid binnen het literaire veld ook eenvormige literatuur op? Is er zoiets als ‘black fiction’, of zijn er alleen zwarte auteurs? En in hoeverre permitteert de Nederlandse literatuur een identificerende leeswijze voor alle soorten lezers in onze samenleving? Dat waren de basale vragen die ons als onderzoeksmasterstudenten bezighielden toen wij eind 2014 besloten, op initiatief van onze docente Saskia Pieterse, de proef op de som te nemen. We wilden een groot corpus gaan lezen en daarin alle personages classificeren via een aantal sociale kenmerken: gender, leeftijd, opleidingsniveau, beroep, woonplaats en herkomst. Het moest een soort volkstelling worden zoals het CBS die uitvoert, maar dan van personages. Het doel was een demografie van de fictieve samenleving aan personages zoals de literatuur die verbeeldt.

Als selectie kozen we de groslijst van de Libris Literatuurprijs 2013, die dat jaar 170 romans telde, geschreven door in totaal 175 auteurs (5 romans kwamen voort uit een samenwerking). Dat die lijst zelf al het resultaat is van de voorkeuren van het literaire veld, blijkt uit de samenstelling: onder hen waren 122 mannen (69,7 procent) tegenover 53 vrouwen (30,3 procent). Van de auteurs van wie de herkomst bekend was, was 76,0 procent geboren in Nederland en 16,6 procent in België. 7 auteurs hadden een niet-Westerse afkomst zoals het CBS die zou definiëren (4,0 procent). Ter vergelijking: het aandeel niet-Westerse allochtonen in 2013 was volgens het CBS 11.7 procent. De verhouding tussen mannen en vrouwen was nagenoeg 50/50.

De fictieve samenleving telde uiteindelijk 1176 personages, waaronder 670 mannen en 503 vrouwen. Een aanzienlijk aandeel, 16,3 procent, had een niet-Westerse afkomst (144 stuks). Opvallend was dat voor hen een andere rol weggelegd leek. Zij waren vaker laagopgeleid en mannelijk dan hun niet-Westerse tegenhangers. Bovendien was hun rol in de regel beperkt tot die van nevenpersonage; Westerse personages waren vaker vertellende personages of hoofdpersonages. Vertellingen vanuit het niet-Westerse perspectief waren dan ook schaars.

Een andere interessante positie is die van het vrouwelijke personage. Bijna 70 procent van alle 144 vertellende personages waren mannelijk. Deze verhouding hangt weliswaar samen met de verhouding onder de auteurs van dit corpus, maar wijkt desondanks af van de verdeling over het totale corpus (m: 57.1 procent / v: 42.9 procent). Net als het niet-Westerse perspectief is de vrouwelijke blik in dit corpus althans – en wellicht in de Nederlandse roman als geheel – ondergeschikt. Verder waren de werkende vrouwen tot andere beroepsgroepen veroordeeld dan de mannen. Na de studenten en scholieren – bij zowel mannen als vrouwen op de eerste plaats – was ‘prostitutee’ het meestvoorkomende beroep onder de werkende vrouwen.

Lees voor meer resultaten ons artikel in het Journal of Dutch Literature.


De Personagebank

We namen geen genoegen met de 170 romans die in 2012 – een willekeurig jaar – gepubliceerd waren. Om de betrouwbaarheid van deze ‘steekproef’ te kunnen vaststellen, waren meer data nodig, verspreid over meerdere jaren. Het idee voor de Personagebank was geboren: een crowdsourced database van personages uit Nederlandstalige romans vanaf 1945. Lezers leveren informatie aan over personages uit de boeken die ze gelezen hebben. Ze kunnen actuele verhoudingen in de (open) dataset zien en gegevens per roman opvragen. Wie weet gaan we zo verschuivingen zien in het literaire landschap door de jaren heen, om uiteindelijk een bevredigend antwoord te kunnen geven op de vragen: hoe divers is de Nederlandstalige roman? Welk type lezers wordt niet aangesproken door de literatuur? En welke consequenties heeft dat eigenlijk? Daarover en meer zullen we rapporteren op ons blog.





Over ons


De Personagebank is een crowdsourced, open database van personages uit Nederlandstalige romans. Het platform is ontwikkeld door studenten Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Utrecht. Onder leiding en op initiatief van dr. Saskia Pieterse deden zij onderzoek naar de diversiteit onder bijna 1200 personages in 170 Nederlandstalige romans. De resultaten verschenen in het Journal of Dutch Literature en vormen de basis voor de Personagebank. Doel van het project is om de diversiteit van de Nederlandse literatuur te tonen en veranderingen van literaire representaties door de jaren heen te begrijpen.


Lucas van der Deijl (1991) studeerde Nederlands en Geschiedenis aan de Universiteit Utrecht en volgde de onderzoeksmaster Nederlandse letterkunde aan diezelfde universiteit. Hij was hoofdredacteur van tijdschrift Vooys en schreef kritieken voor Recensieweb en De Reactor. In het najaar van 2015 was hij visiting student Digital Humanities aan University College London. Daar ontstond het idee voor de Personagebank, die hij in de maanden erna ontwikkelde. Momenteel werkt hij als promovendus aan de Universiteit van Amsterdam.

Saskia Pieterse is docent en onderzoeker Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit Utrecht. Op dit moment werkt ze aan een onderzoek over de driehoeksrelatie tussen economische denkbeelden, het Nederlandse nationale zelfbeeld en de Nederlandse literatuur.

Marion Prinse (1992) studeerde Taal- en Cultuurstudies aan de Universiteit Utrecht en volgt momenteel de onderzoeksmaster Nederlandse letterkunde aan diezelfde universiteit. Ze was als stagiair betrokken bij de publicatie van de Volledige Werken van W.F. Hermans aan het Huygens Instituut. Verder liep ze stage bij het L.P. Boon-documentatiecentrum in Antwerpen en bereidt ze momenteel een onderzoek voor naar (de)radicalisering van Vlaamse activisten tijdens en na de Eerste Wereldoorlog.

Roel Smeets (1991) studeerde Nederlands en Wijsbegeerte aan de Universiteit Utrecht en volgde de onderzoeksmaster Nederlandse letterkunde aan diezelfde universiteit. Als stagiair was hij verbonden aan het onderzoeksproject ‘The Riddle of Literary Quality’ aan het Huygens ING en werkte hij bij het CLiPS researchcenter in Antwerpen. Momenteel werkt hij aan de Radboud Universiteit Nijmegen aan een promotieonderzoek over het spanningsveld tussen ideologiekritiek, Digital Humanities en empirische literatuurwetenschap.





Contact


Vragen of opmerkingen? Laat wat van je horen!

l.a.vanderdeijl[at]uu.nl

@Personagebank

facebook.com/personagebank